Theologie van de Devariem

Bijbelse en systematische theologie vanuit de Radicale Reformatie

Verhuizing


De preken zullen voortaan worden gepubliceerd op een nieuwe wordpress site: http://www.veenpreken.wordpress.com

The Nicene Creed – fragment van een lezing


Wilhelmus


Het overviel me, maar in een dienst die ik onlangs bijwoonde, werd nog voor de zegen het Wilhelmus gezongen. Het eerste couplet en het zesde, nog voor de zegen.

1_001

Ik heb niets tegen het Wilhelmus, en zou dat op straat, in het stadhuis, in het PvdA Café gewoon hebben meegezongen. Zelfs in de kerk doe ik dat nog wel, dat wil zeggen alleen het zesde couplet, maar dan na de zegen. Daar heb ik niet veel moeite mee. Maar in de kerkdienst zelf? Ook het eerste, nationale couplet? (Met de belofte dat je het vaderland getrouw blijft tot in de dood? Is dat geen afgoderij?) Een D’66 burgemeester weigerde ooit eens bij de Nationale Dodenherdenking het zesde couplet te laten zingen op grond van het idee, dat er scheiding moest zijn van kerk en staat. Ik ben dat met hem eens. Bij een seculiere plechtigheid past dat niet. En daarom past het ons niet, om het eerste couplet te zingen in de eredienst. Ik vind dat niet gepast en oneerbiedig tegenover de Heere God en ik zal uitleggen waarom.

Christus alleen is koning

De eredienst is voor mij de ontmoeting van de Heere God met Zijn volk. Daarbij staat vanaf het adjutorium – Onze hulp is in de naam van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft etc. – het koningschap van deze God over ons leven voorop. Christus is koning. Hij regeert. Wij zijn overgezet in het Koninkrijk van de Zoon, en we zijn burgers van de hemel, van waaruit wij ook de zoon –de koning dus – verwachten. Dat zijn wat losse citaten van Paulus.

De overheid en alle menselijke regeringen zijn deel van de ‘oude wereld’ die voorbij gaat. Want nu Christus koning is, zijn alle machthebbers als het ware onttroond. Ze zijn er nog wel, maar zodra Christus terugkeert wordt zichtbaar dat ze niet in Gods naam en niet naar Gods wil geregeerd hebben.  De overheden worden over ons niet door God ingesteld en geleid, maar toegelaten totdat Hij komt.

2_001

De overheid door God toegelaten

Hier speelt een oude tekst met een eeuwenoude uitleg een grote rol. Paulus schrijft volgens de Herziene Statenvertaling:

Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld. (Rom. 13:1)

Dat is iets minder sterk dan de vertaling van Luther die hier heeft:

Een ieder zij onderdanig aan de overheid, die macht over hem heeft; want er is geen overheid dan van God, en waar ene overheid is, is zij door God ingesteld.

Uit beide vertalingen kun je opmaken dat de overheid door God is ingesteld, en alle gezag over ons dus van Hem afkomstig is, door Hem gewild is. En in beide vertalingen valt te lezen, dat de mens die overheden dus gehoorzamen moet.

De Herziene Statenvertaling gebruikt echter terecht het woord ‘onderwerpen’ in plaats van ‘onderdanig’ zijn. En Luther gebruikt weer terecht het woord ‘die macht over hem heeft’ in plaats van ‘over hem gesteld zijn.’ De juiste vertaling zou dan ook moeten zijn:

Ieder mens moet zich schikken onder (onderwerpen aan) de machten die er nu eenmaal zijn, want er is geen macht dan door God (toegelaten, of ook: geen macht dan ‘onder’ God’) en de machten die er zijn, zijn door God op hun plaats gesteld. (Dus niet: ingesteld, alsof de wereldlijke macht een instelling van God zelf is.)

Geen symbolische onderwerping aan menselijk gezag

Het is ondenkbaar dat de Romeins Christenen op grond hiervan het wereldlijk gezag van de Romeinse keizer en zijn ambtenaren zouden gehoorzamen op de manier waarop vele Christenen vandaag de overheid gehoorzamen. Die Christenen hebben met gevaar voor eigen leven de symbolische onderwerping aan de macht van de keizer geweigerd, namelijk het verplichte wierrookoffer aan de keizer, dat als een bewijs van burgerlijke gehoorzaamheid moest dienen. Ze hebben de macht van de keizer niet met geweld of rebellie willen verbreken, maar dat aan de Heere God overgelaten. Maar die keizer ook niet als vertegenwoordiger van God zelf gezien.

Als de Romeinen een volkslied gekend zouden hebben – maar dat was een uitvinding van het 19e eeuwse nationalisme – zouden zij dat niet hebben meegezongen. Dat konden ze ook niet. Want de overheid is wel door God toegelaten, maar niet een directe uitdrukking van Zijn wil.

Daar komt bij, dat de gemeente van Christus uit alle volk en stam en taal en natie geformeerd is. Hoe zouden wij een nationaal volkslied zingen, dat uitdrukt dat wij Nederlanders zijn in een dienst, waar in beginsel de onderscheidingen naar ras en natie zijn weggevallen? Want Christus is koning over de mensheid, en niet over Nederland. Het nationalisme is daarbij – in welke vorm van uitdrukking dan ook – eerder uitdrukking van rebellie tegen God dan van gehoorzaamheid.

Net als het volk in 1 Samuel een koning verlangde, en daarmee God als Koning verwierp – en daar kwam dan ook Saul – zo brengen wij met het Wilhelmus eigenlijk tot uitdrukking dat voor ons niet Christus koning is, maar een of andere menselijke gezagsdrager.

3

Belijdenis

Ook een van onze belijdenisgeschriften, namelijk de Barmer Thesen die in Duitsland onder Hitler door de belijdende Kerk werden opgesteld drukt uit, dat er boven noch naast Christus een andere instantie van macht erkend dient te worden. Zo staat het in die Barmer Thesen, die deel uitmaken van de belijdenis van de Protestantse Kerk in Nederland:

These 1.
Jezus zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” (Joh. 14:6)
“Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.” (…) “Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; (…)” (Joh. 10:1 en Joh. 10:9a)
Jezus Christus, zoals over hem in de Heilige Schrift wordt getuigd, is het ene Woord van God waarnaar wij moeten luisteren, en dat wij in leven en sterven moeten vertrouwen en gehoorzamen.
Wij verwerpen de valse leer volgens welke de kerk buiten en naast dit ene Woord van God andere gebeurtenissen, machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring mag en moet aanvaarden.

 

Gij geheel anders

En tenslotte. De Heer Jezus zelf heeft duidelijk gemaakt, dat wij ons moeten onderscheiden van alle gezagsdragers:

Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: “Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn.” (Matth. 20:25-26)

Kortom: God is koning, en niet Oranje.

Daarom zing ik het Wilhelmus niet in de eredienst.

De revolutie van Genesis


Het boek Genesis in de Bijbel begint met de zin: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Er zijn wel andere vertalingen mogelijk, maar dit is toch de meest bekende.
    De betekenis van deze zin is in ieder geval revolutionair te noemen. Dat er een God was, die de wereld gewild heeft en tot stand heeft gebracht en er een doel mee had, is een strijdkreet. Het is gericht tegen opvattingen van het leven die een veelheid van verschillende machten en krachten willen erkennen in plaats van deze ene persoonlijke oorsprong. Het verhaal is gericht tegen de machten die de menselijkheid verstoren. Het is gericht tegen leringen van mensen die de zin van hun leven zoeken in macht. Omdat alleen God de oorsprong van een rechtvaardige en vredige samenleving is en niet menselijke systemen.
    Maar Genesis 1 is evenzeer gericht tegen de opvatting dat het menselijk leven beheerst wordt door een zoektocht naar geluk en voorspoed. Wij geven zelf geen betekenis of richting aan ons leven want het leven heeft al een zin ontvangen. Gods wil is algemeen gezegd de ‘zin’, de reden, en het doel ervan. Dat maakt groot verschil. Het gaat dan niet meer allereerst om onze emoties, onze wil of onze verlangens. Die krijgen een plaats toebedeeld in een geheel ander leven dat op zijn oorsprong is gericht. Als de God van de Bijbel de schepper van alle leven is, dan is dat voor ieder van ons persoonlijk het allerbelangrijkste feit. Dat is zelfs belangrijker dan onze ervaring. Er is dan een fundamentele constante in ons leven: dat we uit de wil van een scheppende God zijn voortgekomen. De rode draad van ons bestaan wordt dan dat God wil dat we er zijn. En de zin van mijn leven hangt dus niet van mij maar van deze God af. Als je dat tot je laat doordringen wordt alles toch anders!
    Even revolutionair als het idee dat God de wereld geschapen heeft is de manier waarop Hij dat gedaan heeft. “God sprak … en het was zo.” God hoefde alleen uit te spreken wat Hij wilde en het bestond al. Maar een God die spreekt, is een God op wie wij lijken. In ons spreken en ons denken zijn wij aan Hem verwant. Dan wordt het mogelijk dat wij de ‘zin van het leven’ ook kennen, want een sprekende en denkende God is in staat met Zijn schepselen te communiceren. Er is een waar verhaal te vertellen over onszelf en dan horen we een waarheid die we niet zelf kunnen ontdekken maar die van God uitgaat. Openbaring wordt mogelijk.
    Maar tegelijkertijd dringt er vanuit de achtergrond iets van rumoer en verzet door. Er is niet alleen de scheppende wil van God in Genesis 1, maar ook al een aanduiding van een chaos, van een verzet tegen God. God heeft hemel en aarde geschapen, maar die aarde werd of was woest en ledig. Is er iets mis gegaan? Het gaat niet om een eerste fase van de schepping, zoals bij een pottenbakker die begint met een brok ongevormde klei. Dan zou er wel geschreven zijn dat de hemel en de aarde beide woest en ledig waren. Waarom dan een woeste en ledige aarde? Waarom is niet meteen alles volmaakt? We worden er niet over ingelicht. Maar we krijgen wel te verstaan dat scheppen geen rustig geknutsel van het opperwezen is, maar een strijd. Strijd van licht tegen duisternis, van orde tegen chaos, van leven tegen het levenloze, van de woestheid van het hemelse water tegenover de getemde wateren van zee en oceaan. In de schepping wordt het tegendeel van Gods wil toegelaten maar ook overwonnen.
    Maar waar komt dat tegendeel dan vandaan? Dat is het mooie aan Israëls scheppingsvisioen: ook het tegendeel, het nietige, de chaos, is geschapen. Daarom is het nooit volkomen waardeloos, daarom kan het zich nooit definitief tegen God verzetten. De chaos is alleen de manier waarop de aarde is of zijn kan, een ‘mogelijkheid’ van het verzet van de ‘natuur’ en van de mens tegenover de schepper. De chaos is in strijd gewikkeld met die schepper en moet dus overwonnen worden, maar ze is toch ook gewild – zij het maar indirect omdat alleen de aarde en de hemel echt en positief gewild zijn, dus eerder toegelaten – door die schepper om zijn uiteindelijke doel te dienen. Uiteindelijk zal ook de chaos Hem dienen ondanks haar verzet.
    In deze schepping van de wereld, die ook een strijd met de chaos is, komt tenslotte ook de mens aan bod. Hij is net als alle andere wezens onderworpen aan de dubbelzinnigheid van de schepping, deelt in haar orde en chaos, in haar licht en in haar duisternis. Maar hij is ook de troefkaart die wordt uitgespeeld. Een joods commentaar zegt dat de mens daarom op de zesde dag werd geschapen, omdat op de zesde dag (van de maand Shivan) de Torah aan Israel werd gegeven. De mens is geschapen om de Torah, d.w.z. de wil van God, te volbrengen in de wereld. De mens is bedoeld als Gods bondgenoot binnen de schepping zodat de schepper haar kan voltooien en vervolmaken. (Daarom staat in het joodse gebed ‘hame’ir’ het woord ‘scheppen’ in de tegenwoordige tijd.) Drie kenmerken heeft hij die hem daartoe bekwaam maken.

  1. Hij alleen draagt het beeld van God en ‘lijkt’ op de schepper in zijn willen en denken. Zo kan de mens de vertegenwoordiger van God zijn, de ware ‘zoon van God’.
  2. De mens alleen leeft in dat bijzondere sociale verband van de liefde, hier in de eerste plaats als de verhouding van man en vrouw aangeduid.
  3. De mens alleen kan de zorg voor heel de schepping worden opgedragen. Aan hem zijn alle schepselen onderworpen zoals een kudde aan zijn herder. Door zijn verstand is hij in staat de Hoeder van alle schepselen te zijn.

    De diepe vraag van het boek Genesis is nu: hoe moet deze mens zijn tegenover God, wat moet die mens kiezen, hoe moet de mens leven om Gods bondgenoot te kunnen zijn? Wie is de ware ‘zoon van God’?
    Om dat te kunnen zeggen, moeten we in het tweede hoofdstuk eerst iets leren over de strijd in het menselijk bestaan tussen de chaos en de scheppingsorde. De gehoorzaamheid van de mens aan God is niet vanzelfsprekend, omdat hij in staat is voor de chaos en de zonde te kiezen. Daarover de volgende keer.

HET GEBED VAN DE SCHEPPING

Hame’ir
Wees gezegend, Heer, onze God, Koning van de wereld, die het licht maakt en duisternis schept, vrede tot stand brengt en alles schept.
    Hij die de aarde verlicht en hen die daarop wonen met barmhartigheid, en in zijn goedheid dagelijks en eeuwig het werk van Zijn schepping vernieuwt. Hoe groot zijn uw werken, Heer, U maakt ze alle met wijsheid, de wereld is vol van uw bezittingen. De Koning die verheven was in zijn eenzaamheid voor de schepping, die wordt geprezen, verheerlijkt en verheven sinds de dagen van weleer. Eeuwige God, in uw overvloedige barmhartigheid wees ook barmhartig jegens ons – o Heer van onze macht, versterkte vesting, schild van onze verlossing, wees voor ons een vesting. De gezegende God, die groot is in kennis, maakte voor ons de stralen van de zon gereed; de weldoener maakte eer voor Zijn naam, plaatste de lichten overal rondom Zijn macht, de leiders van Zijn hemelse legers, de heilige, verhogen de Almachtige, verhalen de eer van God en Zijn heiligdom.
    Wees gezegend, Heer, onze God, boven de lofprijzingen van uw maaksels en boven de heldere lichten die U gemaakt hebt – mogen zij U loven.

De economie van Abel


In de jaren zeventig gingen er op het platteland van Noord-Amerika nogal wat familiebedrijven failliet. De stijgende kosten van grote landbouwmachines, benzine, kunstmest en dure bankleningen waren hiervan de oorzaak. Tegelijkertijd bloeiden de bedrijven van de zeer orthodoxe en streng-gelovige Amish in de Verenigde Staten. Zij stichtten nieuwe kolonies, verdubbelden hun populatie en hun landbezit zo’n beetje elke generatie. Zij lieten zien hoe een laag-technische beschaving in de moderne markteconomie toch kan bloeien.
    Als deze Amish het gevoel hadden gehad dat zij ‘net als de anderen’ moesten zijn, was hun dit nooit gelukt. Het eerste beginsel waarnaar zij leefden was de overtuiging dat zij bovenal God gehoorzaam moesten zijn. Hoe God wil dat we bloeiende gemeenschappen tot stand brengen, was voor hen een bekende zaak. Niet zozeer een kwestie van specifieke Bijbelteksten, maar van een gemeenschappelijke levensstijl die aan de Bijbel is ontleend.
    Heeft het Genesisverhaal er iets mee te maken? Volgens de scheppingsmythen in Genesis 1 en 2 was het Gods bedoeling dat de mens de verantwoordelijkheid voor de natuur op zich nam. Niet om als een absoluut heerser, als ‘god’ over haar te regeren. Integendeel, de mens was belast met de zorg voor het welzijn van de gehele schepping binnen de grenzen die God aanwees. Planten zijn het voedsel voor mens en dier. De mens hoort thuis op de akker. Die akker ‘geeft’ van haar vrucht aan de mens, en hoeft niet gedwongen te worden: geen dure tractoren zijn nodig.
    Waarom dan de ‘boom van de kennis van goed en kwaad’? Omdat we moeten beseffen dat we geen eigenaars zijn, maar huurders. Er zijn grenzen aan wat we mogen doen met Gods schepping. De natuurlijke orde die we moeten beheren mogen we niet eigenmachtig veranderen.
    Ook nadat we ertoe overgingen om de controle van God over te nemen, bleef er een kans op overleving. Er klinkt na de verdrijving van de mens uit deze oorspronkelijke akker een belofte: het werk van de mens zal voedsel opleveren, zij het nu met een prijs. “In het zweet uws aanschijns”, met ingespannen arbeid, moet de vrucht aan de bodem ontworsteld worden. Er moet worden gegraven in de akker: greppels, sloten en voren. Er moet gewaakt worden over de oogst, en plantenziekten en sprinkhanen doen hun intrede. Het leven blijft vruchtbaar, hoewel nu met een prijs: de vrouw zal met pijn haar kinderen baren. Kortom: het leven gaat wel door, maar nu in de vorm van een cultuur, van een geschiedenis.
    Het vreemde is dat in het vervolg van het verhaal juist Kain ervoor koos om de grond te bewerken. Abel, de schaapherder, hoeft de grond niet open te breken. Juist het ontbreken van duidelijke ‘arbeid’ is een teken dat hij dichterbij de natuur staat. Hij doet de natuur geen geweld aan, maar probeert voor haar te zorgen.
    Kain was niet in staat te zien dat Abel hier de betere keuze had gemaakt. Of het de reden was van de moord op zijn broer lezen we niet. Wel dat na de eerste moord de hele cultuur zoals we die kennen is ontstaan. Alle elementen zijn aanwezig:

1.    de bedreiging van geweld als maatregel (de ‘staat’)
2.    de stad (de ‘beschaving’)
3.    de kunsten (Jubals muziek)
4.    de techniek (Tubal-Kains koperbewerking)
5.     de oorlog (Lamechs zeventigvoudige wraak).

Alles wat tot onze cultuur behoort wordt in een paar verzen in Genesis genoemd. Het zijn naar mijn gevoel de Amish die door hun eenvoudige gehoorzaamheid aan dit verhaal dichterbij de natuur zijn gebleven. Zij kozen voor de weg van Abel en overleefden de economische recessie. Leven vanuit het Verhaal heeft dus tenslotte ook nog economisch nut.

Ik geloof….


Wat geloof ik eigenlijk?
Elke geloofsbelijdenis begint met de woorden “ik geloof”. Ik geloof in God de Vader etc. In de Zoon etc. In de Heilige Geest etc. etc. Het evangelie vraagt geloof. Mijn persoonlijke geloof, in de ik-vorm. In het Latijn: credo. Maar wat geloof ik dan?
    Het evangelie in de Bijbel is niet alleen een verhaal dat onze interesse wil wekken. Het is geen infotainment. Als je de evangelisten goed leest dan willen ze ons een geschiedenis vertellen. De geschiedenis van een persoon die geloof, d.w.z. vertrouwen van ons vraagt. Het evangelie is een geschenk. Het geschenk namelijk van een ontmoeting met God. Het evangelie is een woord van toenadering en liefde dat God in Christus heeft gesproken. Zo, denk ik, hebben de evangelieschrijvers en de apostelen het bedoeld.
    Het evangelie is volgens mij niet alleen maar een verhaal dat mensen verteld hebben, maar het is op een of andere manier een openbaring. God zelf heeft gesproken. De kern van het evangelie is dat God zelf laat zien wat Hij van de mensen wil, en een weg opent om in relatie met Hem te kunnen leven.
Wat wil die God dan? Zo heb ik het begrepen: wat God ten diepste wil, is gerechtigheid. Dat woord betekent veel dingen tegelijk. Verzoening, vrede, liefde, genade, verlossing, bevrijding, dat alles is inbegrepen in Gods gerechtigheid. En dat alles aanvaarden we in het geloof. Dat is ons antwoord op wat God gesproken heeft. Geloven betekent het geschenk aannemen dat God ons aanbiedt. En er dan ook naar leven.

Vertrouwen en geloof
Wat betekent ‘geloven’ dan? Het lijkt erop dat we met het woord geloven twee dingen tegelijk kunnen bedoelen. Aan de ene kant betekent het in de Bijbel zoiets als ‘trouw’, een vertrouwen geven aan iemand, in dit geval aan God zelf. Maar het woord geloven verwijst ook naar de inhoud, naar ‘wat’ we geloven. Het is een geloof hechten, een vertrouwen geven aan wat gesproken is, aan het Woord van God. En omdat Jezus het Woord van God is (Joh. 1: 14) vallen beide betekenissen ook weer samen in ons geloof in Christus. We geloven in een persoon die in levenden lijve het gesproken woord van God is. Daar zit een diep mysterie achter.
    Zoals in elke menselijke ontmoeting vertrouwen we een persoon, als we de woorden vertrouwen die iemand spreekt. Dat je iemand vertrouwt, blijkt pas uit het vertrouwen in wat die persoon zegt. Je kunt niet zeggen dat je iemand vertrouwt als je niet gelooft dat de woorden die iemand spreekt waar zijn.

Geloof in het Woord
Zo is het ook met het Bijbelse begrip ‘geloven’. In God geloven betekent ook dat we vertrouwen op Zijn Woord. D.w.z. dat we niet alleen in God, maar ook in Christus geloven die Gods Woord en openbaring is. In levenden lijve, want “het Woord is vlees geworden.”
    Wat betekent dus ‘ik geloof’? Het betekent dat ik geloof (1) in een God die in Christus gesproken heeft en nog spreekt, en (2) in wat deze God ‘zegt’. Wat zegt deze God dan? Boven alles uit zegt deze God ‘Jezus’, in het Hebreeuws: jesjoea, d.w.z. Hij zal bevrijden.

Pasen: dat is Jezus


WIE IS JEZUS CHRISTUS?

Pasen is het antwoord op die vraag. Je voelt de spanning in het verhaal. Jezus gaat naar Jeruzalem. Nu moet blijken of men Hem aanvaarden zal als door God gezonden koning. Op een ezel trekt Hij de stad binnen, om mensen te herinneren aan de profeten. De ware koning zal zachtmoedig zijn, en op een ezel rijden. Hosanna, roept de menigte. Hier is hij dan. Nu worden we bevrijd. Van de Romeinen, van onze vernedering. Nu worden we weer baas in eigen huis, met een echte joodse koning!
    Zo’n koning blijkt Jezus niet te zijn. Hij is geen politicus, geen machthebber. Hij komt om het Woord van God te verkondigen: bekeer je, wend je naar God, met heel je hart en heel je verstand. Want die God gaat Zijn Koninkrijk vestigen. In de harten van mensen, zonder dwang of geweld, louter door de kracht van liefde.
    Die boodschap is storend en zwak tegelijk. Het brengt iedereen op andere gedachten. Kan dat wel, politiek zonder geweld? Vrijheid zonder dwang? Het goede en het kwade houden elkaar in evenwicht. Zonder het kwade is de wereld ondenkbaar. Wat wil die dromer? Of heeft hij een ‘geheime agenda’? Zoekt hij eigenlijk de revolutie? Tegen de tempel? Tegen de Romeinen? Tegen de keizer? Tegen de religieuze machthebbers, de priesters en de hogepriesters?
    Ook zijn leerlingen zijn teleurgesteld. Zij hoopten op het wonder van een troonsbestijging. Maar deze Jezus houdt woord. Geen geweld. Geen wonder. Alleen de prediking van Gods aanbod. Nu moeten mensen antwoorden. Vanuit hun geloof. Vanuit hun vertrouwen in God. Met voorbijgaan van hun eigenbelang, angsten en geheime doelen. Eerlijk antwoord geven op de roepstem van God. Het blijkt alleen mogelijk voor een handjevol mensen, als het erop aankomt.
    Jezus wordt gekruisigd. Romeinen en joden werken samen in hun ijver voor hun eigen goede doelen. Wat er gebeurt, is allemaal heel menselijk. De moordenaars van Jezus zijn plichtsgetrouwe burgers, redelijke politici, integere bestuurders. Ze hebben maar één fout. Ze houden geen rekening met God. Ze zien niet dat God zich in deze Jezus van Nazareth aan de mensen openbaart. Daarom moet de onschuldige maar worden geofferd om de rust in het land te herstellen. Om de massa’s geen valse hoop te geven. Om de Romeinen geen voorwendsel te geven voor nieuwe maatregelen van onderdrukking. ‘Politics as usual.’ Jezus sterft na een schijnproces. Misverstanden stapelen zich op. Je ziet hoe menselijke gerechtigheid faalt. Het zijn niet de minsten en de domsten die hier over Jezus moeten oordelen. Maar gerechtigheid brengen ze niet tot stand. Dat kunnen ze ook niet, zonder zichzelf te veroordelen. Zo ontmaskert Jezus nog door zijn dood de schijngerechtigheid van de ‘ware religie’ en de ‘ware staat’, van Jeruzalem en Rome.
    Eindigt daar het verhaal? Op Paasmorgen begint alles juist opnieuw. God laat zijn verworpen en gekruisigde Zoon niet in de steek. Hij wekt hem op uit de doden, geeft hem een nieuw bestaan te midden van Zijn leerlingen. Hij spreekt de onschuldig veroordeelde alsnog vrij. God rechtvaardigt zijn Zoon. En op grond daarvan geeft God aan Jezus een plaats in de hemel, op de troon van God zelf. De verworpen Jezus wordt koning van de wereld. Zoals Hij het zelf gezegd heeft. Nu is dat nog onzichtbaar. Nu is het nog alleen werkelijk in ons geloof en in onze harten. Maar ooit zal het zichtbaar worden. Zo wil God het. Zo zal het gebeuren. Onvermijdelijk. Dat geloven en belijden we met Pasen. Dat Jezus werkelijk de Heer is. De Heer van ons leven, de Heer van de geschiedenis en van de toekomst. Zijn woord is wet, Zijn leven is de norm. Hij roept ons: weest mijn navolgers! Dat is het antwoord van Pasen: Wie is Jezus? Hij is de opgestane Heer, de Christus die God gezonden heeft.

Geloof en twijfel


Er werd mij vroeger van allerlei kanten een vraag gesteld die blijkbaar veel mensen intensief bezig houdt: Hoe komt het toch dat jij zo zeker lijkt te zijn in het geloof? Is twijfel niet ook heel authentiek? We kunnen toch niet (zomaar) alles geloven, wat er in de Bijbel staat? Kun je niet wat meer ook je eigen twijfels op de kansel laten klinken?
    Er is soms een diepe worsteling over het geloof, veel twijfel onder gemeenteleden. Ik tref dat niet sterk aan bij de (voormalige) hervormden in de gemeente, maar soms wel bij mensen die wat dichterbij de vrijzinnige richting staan. Twijfel over de vraag of Christus uit de dood is opgestaan, en of we dat letterlijk moeten nemen. Of twijfel over de vraag of Christus inderdaad de Zoon van God is, het vleesgeworden Woord van God. Twijfel over de zin van het evangelie van de rechtvaardiging komt ook sterk naar voren onder vrij-zinnigen. Is het waar dat Christus voor onze zonden gestorven is? Dat is toch meer iets voor ‘confessionelen’? Ik merk dat ik dan met mijn mond vol tanden sta, of met mijn handen in het haar zo u wilt. Ik weet niet goed hoe ik daar op moet antwoorden en ik leg u nu mijn dilemma maar voor.
    Ik begrijp dat de vraagsteller of -stelster oprecht worstelt met zijn of haar eigen twijfel. Sommige zaken lijken voor moderne mensen inderdaad maar moeilijk te geloven. En hoe geruststellend zou het misschien zijn als ‘dominee’ ook zou zeggen over al deze zaken ook twijfel te hebben. Dat zou je pas echt bemoedigend kunnen noemen. “Dominee gelooft het ook niet helemaal!! Dus zit ik wel goed met mijn twijfel!” Ik zou het graag willen, want bemoediging hebben we allemaal op zijn tijd nodig. Maar ik mag niet liegen, en mijn ja moet ja zijn en mijn neen moet neen zijn. Nee, ik moet iedereen die dit anders had willen zien helaas teleurstellen. Ik twijfel geenszins aan het evangelie, en weet (vaak) niet goed waarom anderen daar wel twijfels over hebben. De argumenten tegen de waarheid van het evangelie vind ik persoonlijk erg mager en onvolkomen, en het is dan ook nog eens mijn beroep om daar kritisch naar te (kunnen) kijken.
    En bovendien gaat het hier volgens mij niet eens om heel moeilijke details van de geloofsleer of de ethiek, maar om heel simpele uitgangspunten. Wat ik hierboven noemde, zijn allemaal zaken die we op bijna elke pagina van de Bijbel kunnen terugvinden, in de geloofsbelijdenissen van zowat alle kerken door alle eeuwen heen kunnen lezen, inclusief in die van zowat alle doperse gemeenten in de geschiedenis en ze behoren tot de meest kenmerkende geloofsartikelen van het christendom.
    Het kan zijn dat ik soms in mijn eigen leven niet genieten kan van al deze waarheden, of dat mijn zicht erop verduisterd is, omdat mijn geloofsleven in een ‘dip’ zit. Dan worstel ik toch meer met mezelf, dan twijfel ik meer aan mezelf dan aan deze waarheden. Voor mij behoren deze dingen tot de kern van het christelijk geloof, en je kunt weliswaar over hun inhoud nog lang praten en van mening verschillen, maar over de kern ervan dunkt me van niet. Wie niet gelooft, zegt Johannes bijvoorbeeld, dat Christus de Zoon van God is, die heeft ook geen relatie met Zijn Vader. Want niemand kent de Vader behalve de Zoon en aan wie Hij zich wilde openbaren. Christus’ Zoonschap behoort dus tot het fundament van het christelijk belijden. Zo simpel liggen de zaken soms.
    Het geloof is voor mij de zekerheid van de dingen die we niet zien (Hebreeën 11). Het is de innerlijke overtuiging dat al deze dingen zo zijn, precies zoals Christus, Zijn apostelen en profeten het ons hebben verkondigd. Mijn geloof kan op bepaalde momenten zwak zijn of aarzelend. Dan leef ik even niet vanuit het geloof. Soms weet ik niet goed hoe ik het moet zeggen. Dan kan ik de kracht van het evangelie niet overbrengen op anderen. Maar dat zegt mij niets over de waarheid van het geloof, d.w.z. van de dingen die ons verkondigd zijn en in de Bijbel vóór ons liggen.
    Ik kan de twijfelaars onder ons dus niet bemoedigen door te zeggen dat ik ook twijfel. Ik kan ze alleen maar zeggen dat het misschien niet zozeer om twijfel gaat (want geloof en twijfel sluiten elkaar uit, net als liefde en haat) maar eerder om een (tijdelijk) zwak geloof. En wellicht kunnen we elkaar dan aanmoedigen om door het lezen van de Bijbel en door met elkaar te spreken over ons geloof, weer grotere kracht te vinden om het vol te houden. Want het geloof in Christus, de Zoon van God, is zonder meer de moeite waard om zelfs met jezelf te worstelen.
    Voor mij is de kern van dit alles dat God ‘Immanuel’, God-met-ons wilde zijn, en zijn goddelijkheid inzet voor onze menselijkheid. Geloof in Christus betekent een door God aangeboden kans aangrijpen om menselijker te worden, om genade jegens onze medemensen te leren, om het eeuwige leven te leren kennen dat in God is, maar ons in Christus geopenbaard is. Zo zegt Menno Simons, de Friese kerkhervormer, het: “Daarom vermanen wij u met Jezus Christus: Gelooft het evangelie, dat is, gelooft dit vreugdevolle bericht van de goddelijke genade door Jezus Christus.”

Het Huis van de Messias


De gemeente wordt vaak vergeleken met een huis. Er is natuurlijk een stevig fundament, en op dat fundament is in allerlei tijden en door allerlei mensen gebouwd. De begane grond is door de apostelen en profeten van de eerste gemeente gebouwd. De eerste verdieping werd daar bovenop gezet door de mensen in de tijd van keizer Constantijn, in de vierde eeuw en later. De Reformatie heeft op de tweede verdieping allerlei grote kamers naast elkaar gebouwd, en daar vinden we ook de kamertjes van de Mennisten, de Baptisten, Evangelicalen en Vrijzinnigen. Ze zijn wat verspreid over de verdieping, maar hebben toch een samenhangende stijl van inrichten en decoreren. Eén kamertje heet ‘Amish’ en een ander heet ‘Mennonite Brethren’ maar er zijn er nog veel meer, en ten slotte is er ook nog een kamertje dat ‘Doopsgezind’ heet, vlak naast de grote en ruime kamer van de PKN waar wij net de tussenmuurtjes van Lutheranen, Gereformeerden en Hervormden hebben zitten uitbreken. En nu stomverbaasd  kijken naar de spontane schuttingen die overal weer worden opgericht.
    Nu leven we niet meer in de tijden waarin deze kamers en verdiepingen werden gebouwd, en de vraag komt langzamerhand op of we voor de 21ste eeuw eigenlijk niet een heel nieuw huis moeten gaan bouwen. En nu komt het erop aan dat we ons allemaal weer herinneren wat het belangrijkste bouwvoorschrift is dat aan de kerk is meegegeven. Niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt. Christus is de Heer van de gemeente, de eigenaar. De gemeente heeft tot doel Zijn evangelie te dienen en te verkondigen. Alles wat daarbuiten gaat, is hooguit thema voor een vereniging op religieuze grondslag waar de leden zelf wel uitmaken wat ze doen en laten.

Maar het bouwvoorschrift is geen vrijblijvend advies. Als het voor de bouw van jouw kamertje, en voor de nieuwe verdieping nodig is om een ander fundament te leggen, dan kun je het wel vergeten. Dat houdt geen stand. Dat heeft geen basis, dat hangt in de lucht als de hangende tuinen van Appingedam. Op eigen risico te betreden.
    Maar we willen zo graag. Bouwen aan de toekomst. Geschiedenis máken. Ons voortbestaan in de komende eeuw verzekeren. Velen in de kerk doen daar bijna wanhopig hun best voor. Dan willen ze uiteraard eerst het muurtje slopen dat tussen ons en enkele andere kleine kerken nog bestaat, dan krijgen we al wat meer ruimte en licht. Vrijzinnigen, Confessionelen, Gereformeerde Bonders, de midden-orthodoxie en de bijna-humanisten, het moet allemaal in een kamer. Of we gaan nog iets bijbouwen, zo op de hoogte van het balkon, en dan met tuidraden aan het gebouw vastgemaakt, of gewoon een paar balken op het gazon neerleggen om een nieuwe vloer te steunen. Liefst willen sommigen in plaats van dat moeilijke en ouderwetse evangelie nog een ander fundament leggen voor de zekerheid: een stevig brok humanisme, kunst en poëzie, wat moderne iconen uit de wereld van het levenslied, ons aansluiten bij de progressieve politieke machten in de wereld die ook jongeren aanspreken en we zijn al aardig in de buurt. We bouwen dan weliswaar naast het bestaande huis, en buiten het fundament om, maar het hangt op het oog redelijk stevig en zal nog wel een generatie duren en dan zien we wel weer verder.

Maar wie Jezus’ woorden hoort en niet gelooft en ze niet gehoorzaamt “die zal met een dwaze man worden vergeleken die zijn huis op het zand gebouwd heeft” (Mat. 7: 26). Het vrijzinnige mengsel van gezelligheid, laagdrempeligheid, vrijblijvendheid, openheid voor alles en iedereen, zal op de religieuze markt nog wel een (klein) publiek vinden als we het maar modern (leuk, gezellig, enthousiast) verpakken. Dat huis kan er mooi uitzien maar het is niet bestand tegen weersveranderingen. Als de cultuur straks weer omslaat, en we met jongeren te maken krijgen voor wie ons haastige onderkomen onvoldoende beschutting biedt, dan raakt alles snel weer in verval. Nu religie ‘in’ is, kunnen we denken dat we het nog wel even droog houden. Komen er regens, dan zal het huis, op zand gebouwd, al snel wegspoelen en verdwijnen. Dat het fundament er niet meer ‘onder’ zit maar dat we er ‘naast’ zitten, lijkt nu voor sommigen geen probleem te zijn.
    Tot de Heer des Huizes thuis komt en ziet wat voor een ravage we hebben aangericht. Want de gemeente is weliswaar een huis, maar zij is niet de huiseigenaar. Die gaf ons het voorschrift voor al onze eigen bouwwerkzaamheden:

“Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er gelegd is, dat is Jezus Christus” (1 Cor. 3:11).

Zouden we ons niet meer moeten gaan bezighouden met deze kern van het evangelie en dit levende hart van onze traditie? Ons geloof voeden met de Bijbelse verkondiging in plaats van zulke grote aandacht te schenken aan onze gevoelens, aan onze Godsbeelden, aan onze Jezusbeelden?

De mens en de sabbat


De schepping van de dieren op de aarde en het gevogelte van de hemel is de laatste daad waarvan gezegd wordt dat God zag dat het goed was. Goed betekende immers: passend en geschikt voor de mens om wie het bij de schepping uiteindelijk gaat. Na deze inrichting van de aarde is alles in gereedheid voor de laatste twee scheppingsdaden van God die elk een geheel eigen karakter hebben. “En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis…”(Gen. 1:26) het is meteen duidelijk aan de bewoording dat we hier met een bijzondere daad van God te maken hebben. De herhaling van de woorden “nar zijn aard” in de vorige verzen en de uitdrukking waarin de aarde een actieve rol krijgt (laat de aarde voorbrengen) komt hier aan zijn einde. God schept de mens niet door de tussenkomst van de aarde en het gaat niet om de eigen vruchtbaarheid van aarde en zee. Ook de uitdrukking “er zij…” die de eerste scheppingsdagen domineert wordt hier verlaten. Het beslissende moment van het verhaal is hier aangebroken in het verrassende meervoud van het “laat ons.”

Het hier gebruikte meervoud betekent nog niet dat God hier samen met een hemelse schare van engelen aan het woord komt. Je kunt denken dat het Hebreeuwse woord voor God (elohiem) zelf ook een meervoud is, zodat de meervoudsvorm hier in laat ons nauwkeurig met de naam van God correspondeert. Het betekent dan dat in deze scheppingsdaad God zelf geheel en al betrokken is, a.h.w. bij zichzelf te rade gaat, met inzet van heel zijn wezen nu bij de schepping van de mens betrokken zal zijn. Over de uitdrukking “naar ons beeld, als onze gelijkenis” hebben we al gesproken in een andere blog. Het duidt erop dat de mens de eigenschappen deelt met God, die het hem mogelijk maken verantwoordelijkheid te dragen voor de levende dieren, voor alles wat leeft tussen hemel en aarde en in de zee. Het “beeld” duidt op de positie en waardigheid van de mens die een afglans is in de wereld van wat God is in de hemel. De mens regeert over de dieren namens hun schepper. Het is “een blijvende opdracht in relatie” zegt Karel Deurloo.

De term “naar onze gelijkenis” hebben we zo opgevat, dat de mens nu in de praktijk van zijn leven ook deze eigenschappen van liefde en zorg te beoefenen heeft zodat hij inderdaad in zijn leven ook op God gaat lijken. In de gelijkenis zit dus meer het karakter dan de positie of status. En dan is het juist van belang om in die gelijkenis mee te nemen het feit dat de mens een partner heeft, altijd in een relatie voorkomt: man en vrouw in de eerste plaats, de mens en zijn broeder, en zijn naaste vervolgens, en dan tenslotte ook vader en zoon. In de tweede plaats is het van belang om te beseffen dat de mens het enige wezen is, dat in de schepping kan worden aangesproken. Zijn verantwoordelijkheid berust op zijn vermogen om te luisteren en te antwoorden. De zegen wordt niet zomaar aan de mens gegeven, zoals wel aan de levende wezens (in Gen. 1:22 b.v.) en hoewel ook de levende wezens vruchtbaar moeten zijn, wordt dat niet aan hen gezegd. (Gen. 1:22) In Gen. 1:28 wordt de zegen en de opdracht tot vruchtbaarheid ook aan de mens gezegd.

Wanneer de schepping van de mens wordt afgesloten, lezen we nog twee opmerkelijke dingen. In de eerste plaats dat God nu het geheel van zijn scheppingswerk overziet en dan ziet dat het “zeer goed” was. Dat is minder dan volmaakt, maar wel de uiterste vorm waarin de schepping bestaat. Met de mens is het goede in de schepping tot zijn maximale intensiteit gekomen.

Het tweede bijzondere is, dat nu de reeks van uitdrukkingen wordt afgebroken van de andere scheppingsdagen doordat er staat: het was avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag. Bij de eerste dag stond er gewoon: “een dag.” Bij de tweede tot en met de vijfde dag stond er: tweede, derde, vierde, vijfde dag. Hier staat voor het eerst: de zesde dag met nadruk, omdat het op deze dag eigenlijk allemaal aankomt. Tenminste wat de “zeer goede schepping” betreft. Maar er is nog iets anders aan de hand. De schepping heeft dan wel zijn hoogtepunt in de schepping van de mens, maar het handelen van God eindigt niet bij die laatste scheppingsdaad.

Het tweede hoofdstuk begint met een zin , waarin opnieuw het weidse en universele perspectief van Gen. 1:1 herhaald werd. “Zo zijn voltooid de hemel en de aarde en al hun heerlijkheid. Die heerlijkheid is dan juist aanwezig in de mens. Maar dan komt er een zevende dag:

God voltooide op de zevende dag het werk dat hij gemaakt had,

Hij hield op de zevende dag op met al dat werk dat hij gemaakt had. (Gen 2:2)

Hoe voltooide God dan de schepping die eerst al “zeer goed”was? God voltooit zijn schepping door op te houden met maken, door sabbat te houden. Die dag van de rust is de dag waarop al;e andere dagen uitlopen. Het is de derde zegening in het verhaal, na de zegen van de levende wezens in Gen. 1:22 en na de zegening van de mens in 1:28. “God zegende die zevende dag en heiligde die…” (Gen. 2:3) Ook de mens zal sabbat houden in navolging van God (Ex. 20:11) en is dan vrij van werk en verheugt zich en viert zijn bestaan. De sabbat is de dag van de voltooiing en als regelmatige sabbat in de cyclus van de dagen de herinnering in de tijd aan de herkomst van de tijd en daarmee van de toekomstige tijd.

Er is in de scheppingsorde een vooruitverwijzing naar een voltooiing, naar een toestand die meer dan zeer goed is, ingebouwd. Het gaat erom dat de schepper van hemel en aarde in de zevende dag door juist dit werk te laten rusten zijn werk voltooit en de beslissende wending meegeeft: de zin van de schepping is de sabbat. De mens als “kroon” van de schepping, beeld en gelijkenis van God, is dat pas volkomen in de dag van de sabbat die hij met zijn schepper deelt. Sabbat en mens mogen nu niet tegen elkaar worden uitgespeeld, alsof men ofwel de mens ofwel de sabbat als het doel van de schepping mag laten gelden. De zegening van de levende dieren (ingesloten in de sabbat) en de mens in de zegening van de sabbat zelf maakt duidelijk dat hier geen oppositie mogelijk is. De sabbat is er voor de mens! Maar niet als een zaak om over te heersen, maar als de tijd en de plaats van de voltooiing. Sabbatvieren is niet alleen een zaak van ophouden met werk, maar van de voltooiing van het werk in de “rust.” In die rust en bezinning kan het gedane werk nu juist tot zijn recht komen.

De ordening in de schepping


We zagen al dat het werk van de eerste en de tweede scheppingsdag aan het licht en de duisternis, en aan de wateren boven en de wateren onder de hemel een plaats toebedeelt. De overgang van dag naar nacht en het uitspansel tussen de wateren dient als grens tussen beide. Zo krijgen de duisternis en de watervloed een functie en worden dienstbaar aan de mens. Zo wordt ook de onzichtbare hemel indirect zichtbaar aan het “geweld” dat hem overspant en een richtingsgevoel naar de boven hem staande machten geeft. Aan dat gewelf ziet de mens de geschapen machten die hem in kracht verre overtreffen, maar waarvan hij tegelijkertijd weten mag, dat ze zijn om zijn bestaan mogelijk te maken. Het werk van de derde dag zet deze ordening van de aarde voort, door de wateren onder de hemel te scheiden van het droge, van de aarde, en zo de zeeën te scheppen. De aarde toont zich, en de zeeën blijven over. De zeeën herinneren nog aan de oervloed, maar worden in hun grenzen gehouden. Zo spreekt dan ook de Wijsheid

Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf

en een cirkel om het water trok,

de wolken aan de hemelkoepel plaatste,

de oceanen bruisend op liet wellen,

toen hij aan de zeeën grenzen stelde,

het water met zijn woord zijn plaats gaf,

de fundamenten van de aarde legde. (Spr. 8:27 – 29)

Het droge “komt te voorschijn” en treedt nu aan het (dag)licht en is dus blijkbaar bestemd voor de dag, als plaats en tijd van bewoning voor de mens. Dat wordt in vers 10 al “goed” genoemd. Maar nu kan de aarde ook haar eigen vruchtbaarheid tonen. De aarde wordt actief en brengt “jong groen” voort, “zaadzaaiend gewas.” Geordend is ook hun vruchtbaarheid: “vruchtbomen die naar hun aard vruchten dragen.” (1:11)

Door de bedwinging van de wateren tegenover de aarde, kan de aarde haar vruchtbaarheid als plaats laten zien. Het groene komt uit de aarde voort. De bodem is vruchtbaar zoals een goed akkerland betaamt.

Op de vierde dag van de schepping wordt nu niet de ruimte maar vooral de tijd bedwongen. De oude machten uit de mythen die met de sterren werden geïdentificeerd, worden nu als teken van de “vaste tijden”, d.w.z. van feestdagen, en “dagen en jaren” ingezet. De lichten aan het uitspansel of hemelgewelf krijgen nu een functie voor de mens en worden onttroond. Hun functie is nog alleen om licht te geven op de aarde en dat doen ze ook in de nacht die daardoor wel herinnert aan de macht van de duisternis, maar moet toestaan dat ook dar het licht doordringt. Het grote licht tot heerschappij over de dag wordt het voor mensen zichtbare teken van het oorspronkelijke licht dat God in de schepping inbrengt. Het kleinere licht, de maan, is tot heerschappij over de nacht gesteld. De duisternis wordt toegelaten, maar in een ondergeschikte positie! Zo wordt in de wisseling van de tijden voortdurend zichtbaar dat de heerschappij van het licht over de duisternis een dynamisch proces is. God overwint met zijn licht de duisternis, en met zijn woord de warboel van de chaotische wateren en de woest-ledige aarde.

Op de vijfde dag krijgen dan zelfs de wateren en de lucht hun eigen vruchtbaarheid door de schepping van de waterwezens en het gevogelte. Zelfs de watermachten die het leven bedreigen moeten nu toestaan dat het leven zich in hen voortplant. Er is leven in de sfeer van de zee, zoals er licht is in de sfeer van de duisternis. Hoe chaotisch deze machten en de levende wezens die eruit voortkomen ook zijn, God brengt ordening door de vruchtbaarheid van deze wezens te laten verlopen “naar hun aard.” Zo krijgen ook de levende wezens hun grens.

Op de zesde dag vinden we nu zowel de schepping van de op aarde levende wezens als die van de mens. De eerste fundamentele relatie waarin de mens geplaatst wordt, is die van mens en dier. Die is van oorsprong een andere dan de relatie tussen de mens en het gewas, het “jonge groen.” Het zaaddragend gewas is tot voedsel gegeven aan de mens (Gen. 1:29). Het groene kruid is gegeven tot voedsel aan de vogels en aan de levende dieren op de aarde. De mens, kortom, is op graan en wijnstok, d.w.z. op brood en wijn aangewezen, terwijl runderen het gras herkauwen. Daarin ligt besloten dat de mens naast het dier een plaats op deze aarde krijgt. Het vee is hier, zoals de kudde schapen van Abel in Gen. 4, de dieren die in de zorg voor de mens worden opgenomen, terwijl wol en melk bijdragen aan het menselijke bestaan. Pas na de zondvloed horen we, dat het de mens is toegestaan om levende wezens als voedsel te beschouwen. De enige grens daarbij is dat het dier niet met zijn bloed mag worden gegeten.

De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven. Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. (Gen. 9:2 – 4)

Dat is niet het geval bij de schepping zelf. Daar horen mens en dier nog bij elkaar zoals in de Psalm:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,

tot in de wolken reikt uw trouw,

uw gerechtigheid is als de machtige bergen,

uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:

u, HEER, bent de redder van mens en dier. (Ps. 36: 6, 7)

Drie soorten dieren worden onderscheiden: het wilde gedierte dat het verste van de mens afstaat en dat volgens de wet van Mozes doorgaans niet mag worden gegeten. Het “krioelende” of “kruipende gedierte” wordt op de aarde gevonden, op de akker dus die de mens zijn voedsel geeft. En tenslotte het vee, waarover de mens heersen kan en alleen deze dieren mogen onder het verbond van de Sinai de mens tot voedsel dienen. In Gen. 1:25 komen we dus van de uiterste grens van de wilde dieren steeds dichter bij de relatie die de mens heeft met de gedomesticeerde dieren, die zijn ploeg trekken en gegeten worden.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 52 other followers