Het overviel me, maar in een dienst die ik onlangs bijwoonde, werd nog voor de zegen het Wilhelmus gezongen. Het eerste couplet en het zesde, nog voor de zegen.

Ik heb niets tegen het Wilhelmus, en zou dat op straat, in het stadhuis, in het PvdA Café gewoon hebben meegezongen. Zelfs in de kerk doe ik dat nog wel, dat wil zeggen alleen het zesde couplet, maar dan na de zegen. Daar heb ik niet veel moeite mee. Maar in de kerkdienst zelf? Ook het eerste, nationale couplet? (Met de belofte dat je het vaderland getrouw blijft tot in de dood? Is dat geen afgoderij?) Een D’66 burgemeester weigerde ooit eens bij de Nationale Dodenherdenking het zesde couplet te laten zingen op grond van het idee, dat er scheiding moest zijn van kerk en staat. Ik ben dat met hem eens. Bij een seculiere plechtigheid past dat niet. En daarom past het ons niet, om het eerste couplet te zingen in de eredienst. Ik vind dat niet gepast en oneerbiedig tegenover de Heere God en ik zal uitleggen waarom.
Christus alleen is koning
De eredienst is voor mij de ontmoeting van de Heere God met Zijn volk. Daarbij staat vanaf het adjutorium – Onze hulp is in de naam van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft etc. – het koningschap van deze God over ons leven voorop. Christus is koning. Hij regeert. Wij zijn overgezet in het Koninkrijk van de Zoon, en we zijn burgers van de hemel, van waaruit wij ook de zoon –de koning dus – verwachten. Dat zijn wat losse citaten van Paulus.
De overheid en alle menselijke regeringen zijn deel van de ‘oude wereld’ die voorbij gaat. Want nu Christus koning is, zijn alle machthebbers als het ware onttroond. Ze zijn er nog wel, maar zodra Christus terugkeert wordt zichtbaar dat ze niet in Gods naam en niet naar Gods wil geregeerd hebben. De overheden worden over ons niet door God ingesteld en geleid, maar toegelaten totdat Hij komt.

De overheid door God toegelaten
Hier speelt een oude tekst met een eeuwenoude uitleg een grote rol. Paulus schrijft volgens de Herziene Statenvertaling:
Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld. (Rom. 13:1)
Dat is iets minder sterk dan de vertaling van Luther die hier heeft:
Een ieder zij onderdanig aan de overheid, die macht over hem heeft; want er is geen overheid dan van God, en waar ene overheid is, is zij door God ingesteld.
Uit beide vertalingen kun je opmaken dat de overheid door God is ingesteld, en alle gezag over ons dus van Hem afkomstig is, door Hem gewild is. En in beide vertalingen valt te lezen, dat de mens die overheden dus gehoorzamen moet.
De Herziene Statenvertaling gebruikt echter terecht het woord ‘onderwerpen’ in plaats van ‘onderdanig’ zijn. En Luther gebruikt weer terecht het woord ‘die macht over hem heeft’ in plaats van ‘over hem gesteld zijn.’ De juiste vertaling zou dan ook moeten zijn:
Ieder mens moet zich schikken onder (onderwerpen aan) de machten die er nu eenmaal zijn, want er is geen macht dan door God (toegelaten, of ook: geen macht dan ‘onder’ God’) en de machten die er zijn, zijn door God op hun plaats gesteld. (Dus niet: ingesteld, alsof de wereldlijke macht een instelling van God zelf is.)
Geen symbolische onderwerping aan menselijk gezag
Het is ondenkbaar dat de Romeins Christenen op grond hiervan het wereldlijk gezag van de Romeinse keizer en zijn ambtenaren zouden gehoorzamen op de manier waarop vele Christenen vandaag de overheid gehoorzamen. Die Christenen hebben met gevaar voor eigen leven de symbolische onderwerping aan de macht van de keizer geweigerd, namelijk het verplichte wierrookoffer aan de keizer, dat als een bewijs van burgerlijke gehoorzaamheid moest dienen. Ze hebben de macht van de keizer niet met geweld of rebellie willen verbreken, maar dat aan de Heere God overgelaten. Maar die keizer ook niet als vertegenwoordiger van God zelf gezien.
Als de Romeinen een volkslied gekend zouden hebben – maar dat was een uitvinding van het 19e eeuwse nationalisme – zouden zij dat niet hebben meegezongen. Dat konden ze ook niet. Want de overheid is wel door God toegelaten, maar niet een directe uitdrukking van Zijn wil.
Daar komt bij, dat de gemeente van Christus uit alle volk en stam en taal en natie geformeerd is. Hoe zouden wij een nationaal volkslied zingen, dat uitdrukt dat wij Nederlanders zijn in een dienst, waar in beginsel de onderscheidingen naar ras en natie zijn weggevallen? Want Christus is koning over de mensheid, en niet over Nederland. Het nationalisme is daarbij – in welke vorm van uitdrukking dan ook – eerder uitdrukking van rebellie tegen God dan van gehoorzaamheid.
Net als het volk in 1 Samuel een koning verlangde, en daarmee God als Koning verwierp – en daar kwam dan ook Saul – zo brengen wij met het Wilhelmus eigenlijk tot uitdrukking dat voor ons niet Christus koning is, maar een of andere menselijke gezagsdrager.

Belijdenis
Ook een van onze belijdenisgeschriften, namelijk de Barmer Thesen die in Duitsland onder Hitler door de belijdende Kerk werden opgesteld drukt uit, dat er boven noch naast Christus een andere instantie van macht erkend dient te worden. Zo staat het in die Barmer Thesen, die deel uitmaken van de belijdenis van de Protestantse Kerk in Nederland:
- These 1.
- Jezus zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” (Joh. 14:6)
- “Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.” (…) “Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; (…)” (Joh. 10:1 en Joh. 10:9a)
- Jezus Christus, zoals over hem in de Heilige Schrift wordt getuigd, is het ene Woord van God waarnaar wij moeten luisteren, en dat wij in leven en sterven moeten vertrouwen en gehoorzamen.
- Wij verwerpen de valse leer volgens welke de kerk buiten en naast dit ene Woord van God andere gebeurtenissen, machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring mag en moet aanvaarden.
Gij geheel anders
En tenslotte. De Heer Jezus zelf heeft duidelijk gemaakt, dat wij ons moeten onderscheiden van alle gezagsdragers:
Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: “Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn.” (Matth. 20:25-26)
Kortom: God is koning, en niet Oranje.
Daarom zing ik het Wilhelmus niet in de eredienst.
Vind ik leuk:
Wees de eerste om post te waarderen.
Recent commentaar