“De theologische leer van het schepsel, is een praktische antropologie, een leer van de mens.”
Dat is een bewering van Karl Barth uit de Kirchliche Dogmatik, band III/2, waar ik even stil bij wil staan.
Het betekent: geen antropologie vanuit de filosofie kan aan de theologische leer – de Bijbelse leer – over de mens voorafgaan. Wat er over de mens gezegd moet worden, kan alleen maar – Christelijk gesproken – uit de Bijbelse openbaring worden verstaan. De Bijbelse stelling dus, dat de schepper van hemel en aarde ook de mens heeft geschapen, is daarvan het fundament. De Bijbel is trouwens uitsluitend geïnteresseerd in dit schepsel mens. We vinden wel een leer van de mens, maar niet een leer over de gesteldheid van hemel en aarde. De Bijbel leert dus geen theologische fysica. Geen Bijbelse kosmologie, geen Bijbelse wereldbeschouwing wordt hier geleerd, maar er is wel een Bijbels getuigenis over wie de mens is in relatie tot zijn schepper. En in die relatie kan juist het enige wezenlijke over de mens gezegd worden.
De kosmologie van het oude Israël is dus wel terug te vinden in de taal waarin de Bijbel spreekt, maar niet in het getuigenis zelf. Dat komt bijna overeen met Bultmanns aandringen op de scheiding van boodschap en mythologische inkleding, maar bij Barth ligt die scheiding anders. De kosmologie van Israël is taal, niet mythologie, omdat in die taal juist de bestaande mythologie – de menselijke verklaring van het heelal in beelden – wordt tegengesproken. de taal is dus transparant op het getuigenis, en er is geen omzetting van het mythologische beeld noodzakelijk.
Bovendien wordt er hier menselijk over de kosmos gesproken, omdat alleen vanuit de mens de betekenis van de kosmos kan worden verhelderd. De mens wordt niet ergens in de kosmologie geplaatst om hem nu ook te verklaren, maar de mens is de enige ‘locus’ waar de zin van de kosmos verhelderd kan worden. De fysica kan dus ook geen verklaring van het heelal aanreiken die haar totale zin verhelderd, juist omdat zij niet over dat heelal in termen van haar creatuurlijkheid – het feit dat zij geschapen is, uit de wil van een almachtige God voortkomt etc. – spreken kan.
De Bijbelse antropologie is nu het antwoord op de vraag: wat is dat voor een wezen dat met God in die relatie staat? Zo wordt er ook niet voorbij gekeken aan de openbaring, maar wordt binnen en vanuit het Bijbelse getuigenis een vraag gesteld. De theologie kan immers niet gevoed worden door iets anders dan de openbaring.
Hoe zit het dan met die ‘andere antropologie’ waartoe de mens zich uit eigener beweging zetten kan, waartoe hij zijn filosofische en empirische weten kan inzetten?
Er bestaat ook nog zoiets als een speculatieve antropologie die vanuit een bepaalde wereldbeschouwing voortkomt en er is wetenschap van de mens: sociologie, psychologie, biologie etc. Barth onderstreept hier dat al deze wetenschappen te maken hebben met hoe de mens zich voordoet, met het ‘fenomeen’ mens, zoals dat zich te kennen geeft als een individuele, losstaande gegevenheid.
Maar de theologie spreekt daarentegen – pretendeert dat noodzakelijk – over de werkelijkheid van de mens. Wat is die werkelijkheid dan? Daarover later meer.
Vind ik leuk:
Wees de eerste om post te waarderen.
Hej Robbert!
Ik heb ooit een korte studie gedaan naar de antropologie in de theologie van Noordmans. Wellicht is het interessant om die naast Barth te zetten.
Antropologie in de theologie van Oepke Noordmans
‘ Er is geen dogma van de mens; wij prediken hem niet en wij geloven niet in hem.’
In het kort zal ik proberen Noordmans’ visie op de mens in de theologie zoals in Herschepping uiteengezet te beschrijven en te becommentarieren. Ik zal dat doen naar aanleiding van vier door mij belangrijk geachte passages.
Als Noordmans te spreken komt over de Kerk, behandelt hij de verhouding tussen God en mens in deze. Naar aanleiding van het van de discussie tussen Augustinus en Pelagius zegt hij het volgende: ‘ Het ging er om of de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest de beschikbare plaats in de geloofsruimte met een beschouwing over de mens zou moeten delen.’ Noordmans’ visie hierop is duidelijk, de mens heeft hier geen zelfstandige plaats. ‘ Kerk dat wil zeggen: een ruimte waarin God alles is. Een preek is een rede, waarin God alles is. Een dogma is een regel, waarin Gods Woord de enige maatstaf is.’
Later komt Noormans te spreken over de verhouding tussen mens en zondaar. De mens hoort volgens hem niet thuis in de theologie, maar in de biologie. In de theologie gaat het alleen over de zondaar, die moet men zien op te sporen. In de Bijbel gaat het over de zondaar die in Genesis 3 voor God wegkruipt en over de God die hem roept. Er is dus geen neutraal, maar een reeds gekwalificeerd beeld van de mens.
De predestinatieleer blijkt voor Noordmans erg belangrijk voor de positie van deze zondaar in Kerk en theologie: ‘Ze [de Kerk] laat de hele anthropologie vallen en trekt zich op Gods predestinatie terug.’ Het gaat hier om de zaligheid en die vinden we volgens Noordmans niet in de mens en diens vermogens, maar in Christus. Wat doet de predestinatie in deze? Ze brengt de zondaar en Christus bij elkaar. De zonde is geen wijsgerig systeem en we vinden haar in geen enkele wetenschap, daarom moeten we het volgens Noordmans zoeken in de predestinatie. De predestinatie is het namelijk die van Gods openbaring uit, door het betrekken van ‘(…)de zonde op Christus en Christus op de zonde’ , de dingen op hun plaats zet.
Toch blijkt dat Noordmans uiteindelijk wel degelijk te spreken komt over de mens, maar dan alleen ‘(…)bij gelegenheid, als men over God spreekt.’ In concreto betekent het dat voor Noordmans de leer over de mens de belijdenis van God niet in stukken laat vallen, maar andersom dat de trinitarische behandeling van God de leer van de mens uit elkaar trekt. ‘ Hij [de mens] komt voor als schepsel, als verlorene en als gelovige; driemaal telkens anders.’
Uit Noordmans’ betoog over de positie van de mens in de theologie komt het mij voor dat hij God consequent als subject wil zien. Het gaat dan over de gang van God naar de mens, die God in Zijn openbaring maakt en die niet andersom als gang van de mens naar God gedacht kan worden. God openbaart in deze niet alleen wie Hij is, maar tegelijkertijd ook wie wij zijn. Het lijkt mij echter wel dat naar aanleiding hiervan nog steeds over de mens gesproken kan worden. Van waar die huiver? We kunnen het primaat van de openbaring natuurlijk ook hier niet loslaten, maar vanuit dit gezichtspunt valt er toch nog steeds te praten over de mens? Zelf doet hij dat ook door de mens als zondaar, of trinitarisch als schepsel, zondaar en gelovige te schetsen. Ik ken de context van Noordmans niet goed genoeg om hem hier helemaal op te beoordelen, maar mij komt het voor als een enigszins overdreven voorzichtigheid. We ontkomen in de dogmatiek en in het geloof niet aan de mens, wel mogen we voorop stellen dat we de antropologie altijd vanuit Gods openbaring willen begrijpen omdat Hij onze Schepper, Verzoener en Verlosser is.
Dat is een snelle reactie! Bijna nog tijdens het schrijven! Dank!