Het Bijbels getuigenis spreekt over de mens in eerste instantie als een wezen dat verkeerd geworden is, het verdorven heeft. De eerste pagina’s van Genesis geven duidelijk aan hoe de mens beschouwd moet worden als ‘zondaar’, d.w.z. afgevallen van de wil van de schepper. De relatie tussen God en mens die het wezen van die mens bepaalt, is verstoord en als een verstoorde relatie bepaalt zij het historische wezen van de mens.
Onze natuur, onze ‘zonde’ en onze creatuurlijkheid kunnen wij niet uit onszelf kennen. Dus ook het onderscheid niet. Dat onderscheid is belangrijk omdat we als zondaars toch ook schepselen blijven,. Hoe maken we dan verschil tussen wat de Schepper in ons gelegd heeft, en wat wij in de zonde verdorven hebben en kwijt zijn geraakt? We ‘hebben’ die kennis niet, maar die kennis ontstaat of wordt ons gegeven in de omgang met het Woord van God.
Juist als dan inderdaad het Woord voorop staat, moeten om over de mens te kunnen spreken, eerst spreken over het verbond. Want met die term verbond wordt het hart van de relatie tussen God en Zijn schepsel aangeduid. Dat wil zeggen: over de mens moet je spreken als over het voorwerp van de genade van God. Hij is de begenadigde, de geliefde, voor wie God zijn hele wezen inzet. Als zodanig is de mens de werkelijke mens. De zondaar die aan Gods genade deel krijgt. Dat is de mens!
Zelfs wanneer – Barth denkt aan sommige ‘antropologieen vanuit de gereformeerde hoek – we benadrukken dat de mens onder het oordeel van God staat, moeten we beseffen dat elke reactie van God tegenover de zonde al de vorm van de genade heeft. We moeten de genade ernstiger nemen dan de zonde!
Dat houdt vooral in dat we de zonde niet moeten nemen als een beschrijving van het wezen van de mens. De mens is zondaar als schepsel, blijft schepsel in zijn zonde. De zonde is de verkering van dat schepsel-zijn, niet de vervanging. De mens in zijn werkelijkheid wordt weliswaar door de zonde bepaald, maar is in zijn wezenlijke structuur niet veranderd. De zonde kan de geschapenheid van de mens niet ongedaan maken. Alle verhoudingen waarin de mens staat, die door de zonde zijn aangetast maar niet wezenlijk gewijzigd zijn, kunnen dan als de geschapenheid – het geschapen wezen – van de mens worden beschouwd. Zo houden we zowel rekening met de werkelijkheid van de zonde, als met de genade die alles overtreft zodat de geschapenheid van de mens ook in het hart van zijn bestaan overeind blijft. De zonde vermag niet de genade van God te overtreffen. God heeft niet toegelaten dat de zonde die kern van het menselijke bestaan wegneemt.
Gods omgang met de zondige mens, veronderstelt bepaalde structurele kenmerken van het menselijke bestaan die door de zonde wel bepaald, maar niet in de structuur ervan veranderd zijn. (III/2, p. 46)
Vind ik leuk:
Wees de eerste om post te waarderen.
Recent commentaar