Discussie over “vrijdenken” en “evangelisch denken” op het forum van freethinker.nl
(Te vinden in het geheel op http://www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?f=65&t=13933)
Evangelisch denken
Robbert Veen
Wanneer we onder denken mogen verstaan het nadenken over het leven en de wereld, dan spitst het zich natuurlijk toe op de betekenis van het woord “evangelisch.” Het is een vage term. Je zou het kunnen vervangen door “christelijke filosofie”, “christelijk denken”, of door: “de specifieke wijze van denken van een gelovig christen.” Is er zoiets als “christelijk denken”, is het zelfs maar mogelijk?
Velen zullen beweren, dat de uitdrukking een contradictie bevat. Het geloof heeft immers niet zijn oorsprong in een keuze, maar in datgene wat voor het geloof geopenbaard is. Een gelovige kan dan ook niet filosofisch nadenken, niet vrij zijn in zijn denken maar alleen “doen alsof.” Filosofisch nadenken vraagt om een objectieve beschouwing van de feiten, een reductie van mijzelf tot zuivere waarnemer van feiten. Het veronderstelt dat ik als mens in die objectieve, feitelijke waarheid geïnteresseerd ben en in staat ben om mijn concrete persoonlijkheid al nadenkende even buiten beschouwing te laten. Betrokken zijn in de dialoog van filosofen door de eeuwen heen, kennis nemen van moderne wetenschappelijke inzichten, genieten van het pure feit dat je iets van deze wereld en haar geheimen kunt begrijpen. Nadenken geeft een grote vreugde. Wetenschap is een bron van plezier, naast al het nuttige dat ze in deze wereld mogelijk heeft gemaakt. Zoveel mythen en angstige waanvoorstellingen heeft ze door de eeuwen heen weten te verjagen. Ik geloof – stel mijn vertrouwen – in wetenschap en filosofie. Inclusief haar veronderstelling, dat niet mijn angsten en wensen bepalen wat de objectieve waarheid is, maar de menselijke waarneming en de reflectie op de waarneming.
Het lijkt ondenkbaar dat het woord “christelijk” een nadere kwalificatie van dit nadenken zou kunnen zijn. Wat ik hier “christelijk” noem behelst een geworteld zijn in een geloofstraditie en een geloofsgemeenschap, met haar rituelen en gewoonten, haar heilige schriften en belijdenissen, haar dagelijkse “vrome praktijken”. Dat veronderstelt dat ik als mens hartstochtelijk in een subjectieve waarheid geïnteresseerd ben, en in staat ben mijn kritische verstand, mijn diepgewortelde scepsis, als minder dan het laatste woord te beschouwen. Die subjectieve waarheid is een complex geheel van voorstellingen en beelden, verhalen en geschiedenissen, waarin het raadsel van de wereld enigszins wordt opgehelderd zonder te worden opgelost. Er is dat oude boek en die geschiedenis van die ene mens, waarnaar in de kerk steeds wordt terugverwijzen. En dat is van belang want het is mijn kerk, ik heb er jaren in geleefd, het is de leefgemeenschap waar ik deel van uitmaak. Het zijn haar tradities en voorstellingen en vrome praktijken en belijdenissen en heilige schriften, en ze zijn de mijne omdat ik er deel van uitmaak.
Christelijk denken is dan in de eerste plaats gewoon het nadenken, het filosoferen, het weten, van iemand die met zijn concrete persoonlijkheid geworteld is in die christelijke gemeenschap, en net als die gemeenschap leeft met bepaalde geschiedenissen, verhalen en begrippen. Er is geen verschil met het nadenken van iemand die buiten die gemeenschap staat. Er is geen islamitische wetenschap, er is geen protestantse wetenschap, zoals er ook geen Nederlandse of Japanse wetenschap is. Wetenschap is universeel en hoort aan de mensheid toe.
Christelijk denken is echter ook het nadenken van een gelovige over de grond, de mogelijkheid, en de waarheid van zijn eigen geloof. Dat is dus een nadenken over een subjectieve waarheid, mijn individuele waarheid zoals ik die beleef binnen een gemeenschap met wie ik voorstellingen en verhalen gemeenschappelijke. En anders dan psychologen en psychiaters die over die subjectieve “waarheid” ongetwijfeld het hunne zouden kunnen zeggen, is het ook een denken vanuit die subjectieve waarheid. Door er over na te denken geef ik mijn subjectieve beleving en waarheid niet op. Ik probeer haar voor mijzelf te verhelderen en inzicht te krijgen in haar structuur, ik probeer haar bronnen beter te begrijpen, maar ik kan haar niet opheffen zonder niet alleen mijzelf te verliezen, maar precies ook het voorwerp waarover ik nadenk.
Christelijk denken is het denken van een gelovige over zijn eigen geloof, de oorzaak, de mogelijkheid en de bronnen daarvan, zonder dat geloof als het ware van buitenaf te beschouwen. Het is geen poging om objectief te praten over een subjectieve waarheid.
Omdat een gelovige deel uitmaakt van een gemeenschap, die een traditie heeft en waarin mensen bepaalde voorstellingen en verhalen met elkaar delen, is het ook een nadenken over de kerk. Binnen de kerk ontvouwt dit denken zich als theologie en dogmatiek, als een zelfkritiek van de kerk over de wijze waarop ze over God spreekt en Hem ter sprake brengt in haar rituelen en onderwijs. Dat is hier verder niet relevant. Tegenover de “buitenwereld” heeft het evangelisch denken ook een taak. Zoveel als kan verantwoording af te leggen voor wat de gelovige in de kerk, als lid van een gemeenschap, belijd te geloven.
Het staat de gelovigen niet vrij – hij kan gewoon niet anders – om in het nadenken over zijn geloof op te houden met geloven. Wanneer het voorwerp van zijn nadenken zijn eigen geloof is, inclusief de inbedding in de gemeenschap, dan moet dat ook niet zo zijn. Wie zijn geloof belijdt in de openbare ruimte heeft de plicht verantwoording af te leggen van de motieven die hem steeds opnieuw tot geloof brengen. Zal moeten uitleggen hoe het persoonlijk beleefde geloof met de persoonlijke bestaanservaring van degene die gelooft onscheidbaar verweven is. Dat betekent dus juist niet dat het geloof het nadenken simpelweg kan vervangen. Om werkelijk nadenken te zijn, is een simpele herhaling van de voorstellingen en begrippen van het geloof uitgesloten. In die zin is ook het evangelisch denken een vrije en kritische reflectie. Maar wat de gelovigen niet kan geven, is wat in de filosofie de volstrekt redelijke en autonome fundering van alle kennis zou genoemd kunnen worden. Maar lees maar eens de inleiding op de “Wissenschaft der Logik” van G.W.F. Hegel, en je komt erachter dat die volstrekt autonome fundering van alle filosofische kennis eigenlijk onmogelijk is.
De mens is geen abstract wezen, en de gelovige die nadenkt al helemaal niet. Ons verstand is geen abstract intellectueel vermogen en ik val niet samen met het wetenschappelijke subject dat uitsluitend geïnteresseerd is in de objectiviteit van waarnemingen en feiten. Juist mijn concrete menselijke ervaring als gelovige maakt het nodig om na te denken over het geloof zelf. Het is de poging om in alle redelijkheid verantwoording af te leggen van de inhoud van mijn geloof, door inadequate dogmatische formuleringen en soms al te menselijke Bijbelse teksten heen. Het vergt alle mogelijkheden tot begrijpen waarover de mens beschikt. Het geloof zoekt naar het inzicht van de geest, voor zover mogelijk, probeert in het denken harmonieus aan te sluiten bij de zin van het geloof, voor zover dit verantwoord is. Op andere wijze kan het niet. Het verbreken van de continuïteit met het geloof – het “christelijke” in de definitie – doet precies dat deel van jezelf verdampen, waarover je probeert na te denken.
Kan het geloof behalve voorwerp van nadenken ook het uitgangspunt van nadenken zijn? Ik denk van wel. Het feit dat het geloof een bepaald perspectief biedt op de wereld, houdt niet automatisch in dat zij die wereld vervalst. Het is waar dat de wetenschap niet gezien kan worden als een bepaald perspectief. Juist dat bevestigt haar objectiviteit. Maar het is niet waar, dat alleen die perspectiefloze blik en die rationele objectiviteit in het menselijk leven van belang is. Er is meer onder de hemel, dan wat gevonden wordt in laboratoria en collegezalen.
De waarheid van het evangelisch denken is een subjectieve, zei ik. Dat betekent dat het meer te maken heeft met de boodschap van profeten en apostelen binnen de geschiedenis, dan met de openbaring als (onmogelijk) uitgangspunt voor de filosofie, meer met een sociale traditie, dan met een uniek en absoluut inzicht. Het is mijn waarheid binnen een gemeenschap, een waarheid die ook ik overigens niet geheel en al ken omdat het altijd werk in uitvoering blijft. Zolang ik leef en in staat ben na te denken, zullen ook de contouren van de fragmenten van waarheid die ik ken verschuiven en veranderen. Evangelisch denken is historisch verankerd maar veranderlijk denken, beweeglijk ten opzichte van een onbeweeglijk uitgangspunt, in staat tot zelfkritiek en verbetering.
Wat we samen als kerk gedaan hebben met de openbaring, is mij een gruwel. Het christendom heeft het evangelie van binnen uit omgevormd tot een parodie en daar de eeuwen door de volkeren van West-Europa mee onderdrukt. Er is onderwerping aan de heersende machten gepredikt, en de actieve steun aan die machten, terwijl zij had moeten strijden – intellectueel dan – tegen de machten van de staat, de sociale en de economische orde. De kerk heeft de culturen van West-Europa, met name de Grieks-Romeinse cultuur, in zich opgezogen en met een theologie van de macht gerechtvaardigd. Zij had haar kritische gesprekspartner moeten blijven. De kerk was imperialistisch, toen Constantijn de zege verwierf, ze werd kapitalistisch, toen het burgerdom in de steden opkwam – ze werd socialistisch, toen dat aan terrein won – het is nu de politiek correcte aalmoezenier in de marge, die met de mode van de dag meebeweegt. Die volstrekte innerlijke uitholling en omkering van de christelijke kerk zoals ze is bedoeld, raakt ook mijn subjectieve waarheid. Ik maak deel uit van een kerk die het evangelie verraden heeft. Maar toch, is er dan een andere plaats waar over dat evangelie gesproken kan worden?
Dat is de bijzondere historische context voor mijn evangelisch denken nu. De kerkgeschiedenis en de dogmatiek zie ik voortdurend in dat licht. Zeker, het is mijn traditie en het is ook mijn belijdenis. Maar hoeveel ik ook van de kerk hou, meer nog hou ik van het evangelie. Van die revolutie in de religie die Romeinse arrogantie en joodse hypocrisie en daarmee ons allen aan de kaak stelde. De kerk heeft vergeten dat er geen openbaring is buiten het leven en het getuigenis van hen die haar dragen. Het is het leven van gelovigen dat getuigt wie God is en wat de zin van Zijn openbaring is. Voor het evangelisch denken bestaat er geen zuivere en objectieve waarheid van de God van Jezus Christus, waarnaar wij eenvoudig kunnen verwijzen, terwijl wij zelf onze handen in onschuld over ons eigen gedrag wassen. Als de christen in zijn leven niet conform is aan de waarheid die hij belijdt, is er geen waarheid van het christendom meer. Vrijdenkers hebben volkomen gelijk als zij vanuit het handelen van de kerk moeten concluderen dat de openbaring zelf een vals karakter draagt. Door niet te zijn wat Christus van ons als gelovige vraagt, zorgen wij ervoor dat het geheel van de openbaring een leugen is. Dat is het risico en het gevaar van het evangelisch denken.
Dit is op Filosofiekring Gilde Gorssel herblogd.